A | A | A
 

Basisinfrastructuur 1.0

Erfgoed Nederland

15-05-2008 | Den Haag
advies omslag


Inleiding

Stichting Erfgoed Nederland is op 1 januari 2007 van start gegaan als het nieuwe sectorinstituut voor het cultureel erfgoed. Het is ontstaan uit de politieke wens om per cultuursector de verschillende gesubsidieerde besteltaken onder te brengen in één instituut. Erfgoed Nederland zet zich in voor het versterken van de maatschappelijke positie, het belang en de betekenis van het cultureel erfgoed als geheel en daarbinnen van de deelsectoren archeologie, archieven, monumenten en musea. Daartoe richt het instituut zijn activiteiten op erfgoedinstellingen, particuliere organisaties, onderwijs en politiek. Erfgoed Nederland voert de volgende door de minister benoemde besteltaken uit: (inter)nationale vertegenwoordiging en promotie; educatie, informatie en reflectie; en afstemming en coördinatie. De activiteiten worden ingekaderd door drie doelstellingen en drie programmalijnen. De doelstellingen zijn: het vormen van een visie, het stimuleren van creatieve en collectieve participatie en het verbinden van actoren op het terrein van erfgoed. De programmalijnen zijn: ‘erfgoed en cultuurparticipatie’, ‘erfgoed en ruimte’ en ‘erfgoed in internationaal perspectief’. Waar nodig organiseert Erfgoed Nederland het overleg met het veld ook nog per deelsector. Binnen het instituut functioneert per deelsector een platform als denktank en adviseur en dat wordt vanuit de organisatie ondersteund door een sectorcoördinator.
De programmalijn ‘erfgoed en cultuurparticipatie’ richt zich op publieksparticipatie, educatie, culturele diversiteit en e-cultuur. Het sectorinstituut wil het denken over deze thema’s binnen de erfgoedsector op een hoger niveau brengen. Concrete projecten zijn bijvoorbeeld conferenties waarin de betekenis van de canon van Nederland voor erfgoedinstellingen wordt onderzocht, een tweejaarlijkse erfgoedmonitor gericht op het verzamelen van kengetallen en een landelijk plan van aanpak voor maatschappelijke stages in de erfgoedsector. Best practices op het gebied van culturele diversiteit, ook internationaal, zullen in een database worden verzameld en beschikbaar gesteld. Verder worden programma’s ontwikkeld die zich richten op vergroting van de deskundigheid van (vrijwilligers)besturen. Op het gebied van e-cultuur bestaat reeds een scholingsprogramma voor medewerkers van archieven en musea, en worden de resultaten van de Task Force Archieven (kwaliteitssysteem voor digitale toegankelijkheid) geborgd en verder ontwikkeld.
De programmalijn ‘erfgoed en ruimte’ richt zich op de dynamische relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke transformatie. Erfgoed Nederland positioneert zich op dit gebied nadrukkelijk als kennisinstituut en kondigt aan onderzoek naar trends en opinies te willen doen. Het sectorinstituut wil een rol spelen in de ophanden zijnde modernisering van de monumentenzorg. Ook doet het onderzoek naar de receptie van en het draagvlak voor de Belvedere-strategie van ‘behoud door ontwikkeling’.
Binnen de programmalijn ‘erfgoed in internationaal perspectief’ ligt de nadruk op het versterken van de internationale samenwerking en samenhang van Nederlandse en internationale erfgoedinstellingen, en dan vooral met landen waarmee Nederland een gemeenschappelijke (erfgoed)geschiedenis heeft. Het sectorinstituut wil binnen vier jaar uitgroeien tot het landelijke informatie- en documentatiecentrum voor internationale erfgoedbrede samenwerking en kennisuitwisseling. Vanaf 1 januari 2008 heeft Erfgoed Nederland de coördinatie en uitvoering van het HGIS-C-bezoekersprogramma overgenomen van de Museumvereniging. Verder worden ook de mogelijkheden voor Europese samenwerking geïnventariseerd en uitgebouwd.
Erfgoed Nederland is ontstaan uit een fusie van het Nationaal Contact Monumenten (NCM), de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA), de erfgoedkoepel voor de Documentaire informatievoorziening en het archiefwezen (DIVA) en Erfgoed Actueel. Erfgoed Nederland wil onderzoeken of ook het samengaan met het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, de stichting Digitaal Erfgoed Nederland en het Centrum voor Internationale Erfgoedactiviteiten meerwaarde zal opleveren. Daarnaast heeft Erfgoed Nederland samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de brancheverenigingen en de provinciale erfgoedhuizen. Erfgoed Nederland zoekt ten slotte samenwerking met tal van landelijke instituten, rijksdiensten, erfgoedinstellingen, wetenschappelijke instellingen en bestuurlijke overlegorganen.

Erfgoed Nederland vraagt € 3.319.700 subsidie als sectorinstituut in de basisinfrastructuur 2009-2012.
De constituerende instellingen van Erfgoed Nederland ontvingen subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008. Erfgoed Nederland vraagt een hogere subsidie aan ten behoeve van de uitvoering van het eerste beleidsplan van het nieuwe sectorinstituut. Op 7 december 2007 heeft een gesprek met Erfgoed Nederland plaatsgevonden. Tevens is documentatie verzameld en zijn de activiteiten van de instelling gevolgd.
Dit advies is gezamenlijk voorbereid door de commissies Musea, Archieven, Amateurkunst en Cultuureducatie, en Architectuur, Stedenbouw, Monumenten, Archeologie en Landschapsarchitectuur.

Beoordeling

In de nota Kunst van leven heeft de minister aangekondigd dat hij Erfgoed Nederland per 1 januari 2009 zal aanwijzen als sectorinstituut met een blijvend uitzicht op subsidie. De subsidiehoogte en -voorwaarden kunnen daarbij nog steeds eens per vier jaar worden vastgesteld. De minister heeft het sectorinstituut wel gevraagd voor de periode 2009-2012 een beleidsplan en een meerjarenbegroting in te dienen, en die heeft hij ter beoordeling voorgelegd aan de Raad.
Zoals de minister aangeeft in zijn adviesaanvraag over de sectorinstituten en de fondsen, is in de herziene ondersteunende infrastructuur in elke deelsector plaats voor één sectorinstituut. Dat wordt belast met de uitvoering van vijf besteltaken: (inter)nationale vertegenwoordiging en promotie; educatie, informatie en reflectie; afstemming en coördinatie; inventarisatie, waardering en ontsluiting van erfgoed; en documentatie en archivering. Erfgoed Nederland voert, zoals de adviesaanvraag ten aanzien van sectorinstituten duidelijk maakt, de twee laatstgenoemde taken vanzelfsprekend niet uit, aangezien het taken betreft die de erfgoedbeherende instellingen zelf verrichten. Voor de archiefsector dreigen hier echter lacunes te ontstaan in de ondersteunende infrastructuur. Later dit jaar zal de Raad daar in een advies over het archiefbestel op terugkomen.
Erfgoed Nederland bundelt de besteltaken die voorheen werden uitgevoerd door verschillende ondersteunende instellingen op het gebied van archieven, musea, monumenten en archeologie. Aangezien sectorinstituten onafhankelijk moeten opereren en geen zogenaamde branchetaken mogen uitvoeren, is met de fusie ook een deel van de taken van de voormalige fusiepartners komen te vervallen. De Museumvereniging is om die reden buiten het fusieproces gebleven en heeft alleen zijn besteltaak op het gebied van internationale betrekkingen overgeheveld. Erfgoed Nederland is zich bewust van de scheiding van besteltaken en branchetaken en weet dat het zich om serieus te worden genomen als onafhankelijk sectorinstituut verre moet houden van belangenbehartiging. Daarmee is voor monumentenzorg, archeologie en archiefwezen een lacune ontstaan. De Raad heeft er echter vertrouwen in dat andere organisaties die werkzaam zijn op de betreffende deelterreinen deze taak zullen oppakken. Voor het archiefwezen is met dat doel bijvoorbeeld in juni 2007 de Branchevereniging Archiefinstellingen Nederland (BRAIN) opgericht.
Juist in deze opbouwfase van het sectorinstituut is het van groot belang dat het zich bij alle taken en projecten die zich aandienen, afvraagt of deze passen bij de missie en de doelstellingen, of dat ze elders beter belegd zouden kunnen worden. Erfgoed Nederland kan echter niet zonder meer stoppen met taken die voorheen door een van de fusiepartners werden uitgevoerd. Hoewel kwaliteitszorg zich bevindt in een grijs gebied tussen branchetaak en besteltaak, heeft Erfgoed Nederland er terecht voor gekozen voorlopig door te gaan met het ontwikkelen van een kwaliteitssysteem voor digitale toegankelijkheid voor het archiefwezen. Voor de archiefsector is ook het afstemmen, delen van kennis en gezamenlijk ontwikkelen van methodieken met betrekking tot de documentaire informatievoorziening, een taak die voorheen was belegd bij DIVA, een belangrijk punt van aandacht.
De nog sterk naar deelsectoren ingerichte organisatie van Erfgoed Nederland kan wat betreft de uitvoering van de kerndoelen en de taakafbakening met brancheorganisaties problemen opleveren. De Raad betwijfelt of Erfgoed Nederland in staat zal zijn de traditionele manier van doen te doorbreken als het blijft werken met sectorale platforms, adviseurs en coördinatoren. Dat staat namelijk haaks op de invalshoek van de drie programmalijnen.
Naar de mening van de Raad zou Erfgoed Nederland zich bij voorkeur moeten manifesteren met deelsectoroverstijgende activiteiten en zouden de deelsectorgebonden activiteiten van de constituerende organisaties waar mogelijk moeten worden verbreed. Als Erfgoed Nederland zijn erfgoedbrede missie wil waarmaken, vraagt dat om rigoureuze keuzes. De in de inleiding genoemde plannen en voornemens geven slechts een beperkte selectie van de geplande activiteiten; in werkelijkheid waaieren beleidsplan en activiteitenplan nog veel verder uit. In de praktijk zal duidelijk moeten worden wat nu echt de kernactiviteiten zijn.
Erfgoed Nederland bevindt zich nog in de opbouwfase en moet zijn bestaansrecht nog bewijzen. De Raad heeft begrip voor het feit dat het fusieproces de nodige tijd in beslag heeft genomen en dat de beoogde synergie zich niet direct kan manifesteren. Erfgoed Nederland investeert momenteel nadrukkelijk in zijn eigen zichtbaarheid in het veld door veel debatten en studiedagen te organiseren. Daar heeft de Raad waardering voor. Maar ook de vorming van een echt kennisinstituut op het gebied van erfgoed behoeft aandacht. Het tegelijkertijd samenvoegen én waarborgen én aanvullen van de deskundigheid van de constituerende organisaties is geen eenvoudige opgave, maar die operatie is wel van groot belang voor de toekomst van Erfgoed Nederland. Want gezag in de erfgoedsector wordt uiteindelijk niet verworven door het organiseren van veel activiteiten die deskundigen bij elkaar brengen, maar door de professionaliteit van de organisatie zelf. Van Erfgoed Nederland mag verwacht worden dat het vooroploopt in de kennis en deskundigheid die vereist zijn om de eigen doelstellingen te verwezenlijken. En juist daar bestaat reden tot zorg.
Binnen de programmalijn ‘erfgoed en cultuurparticipatie’ worden succesvolle trajecten voor erfgoededucatie die voorheen werden uitgevoerd door Erfgoed Actueel door Erfgoed Nederland gecontinueerd. Maar van de voorhoedefunctie die Erfgoed Actueel ooit vervulde in het stimuleren van het gebruik van cultureel erfgoed in het onderwijs is momenteel nog maar weinig over. Erfgoed Nederland zal zich op dit terrein opnieuw moeten waarmaken. De Raad is wat dat betreft hoopvol gestemd over de aangekondigde aandacht voor maatschappelijke stages. Ook de aanzetten die Erfgoed Nederland geeft voor de nadere invulling van het diversiteitsbeleid waardeert hij. Het thema wordt terecht benaderd vanuit verschillende invalshoeken als publieksbereik en personeelsbeleid. De Raad mist nog wel een visie op de wijze waarop de noodzakelijke verbinding tussen onderwijs en culturele instellingen tot stand wordt gebracht en heeft uit het beleidsplan ook niet kunnen opmaken hoe Erfgoed Nederland daarbij wil samenwerken met bestaande cultuureducatieve instellingen.
In zijn adviesaanvraag over de fondsen en de sectorinstituten vraagt de minister de Raad nadrukkelijk om advies over de beoogde activiteiten op het gebied van cultuur en ruimte. Op dat terrein wekt het beleidsplan weinig vertrouwen. In de programmalijn ‘erfgoed en ruimte’ ziet de Raad ten eerste overlap met het beleid van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, vooral waar het de kernactiviteiten van een kennisinstituut betreft. Daar is nadere afstemming dus dringend gewenst. Ten tweede oordeelt de Raad negatief over de wijze waarop Erfgoed Nederland zich het beleid van Bureau Belvedere toe-eigent. Erfgoed Nederland heeft geen betrokkenheid bij het onderwerp vanuit de ontwerppraktijk en lijkt de Belvedere-uitgangspunten bovendien exclusief te verbinden aan landschappelijke ruimte. De centrale opvatting ‘behoud door ontwikkeling’ heeft echter zowel betrekking op de landschappelijke als op de stedelijke context. Bij Bureau Belvedere zijn professionals werkzaam die in de afgelopen tien jaar een platform voor het Belvedere-beleid hebben gerealiseerd, waarbij kennis is verzameld op het gebied van architectuur, landschapsarchitectuur, stedenbouw en monumenten. Erfgoed Nederland beschikt niet over de kennis, noch over de vaardigheden en de mankracht om het beleid van het huidige Bureau Belvedere voort te zetten.
De programmalijn ‘erfgoed in internationaal perspectief’ is in het beleidsplan en het activiteitenplan van Erfgoed Nederland nog nauwelijks uitgewerkt en onderbouwd. Op dit gebied bevindt het sectorinstituut zich duidelijk nog in de opstartfase. Erfgoed Nederland zal nader moeten aangeven wat het op dit terrein wil bereiken, welke prioriteiten het stelt en hoe de taken, vooral die op het terrein van gemeenschappelijk cultureel erfgoed, worden afgestemd met andere instellingen.
Met de oprichting van Erfgoed Nederland is het evenwicht in het erfgoedbestel veranderd. Ondersteunende instellingen, rijksdiensten, brancheorganisaties en andere erfgoedorganisaties zullen zich opnieuw tot elkaar moeten verhouden. Het kan Erfgoed Nederland niet worden verweten dat het ambitieus inzet en zich gaat bewegen op terreinen waar ook andere organisaties actief zijn. Maar zeker waar het door het Rijk gesubsidieerde instellingen betreft, moeten duidelijke afspraken worden gemaakt en ook worden vastgelegd. Het Rijk heeft daarbij een begeleidende rol.
Een eerste punt van aandacht daarbij is dat bij de herziening van de ondersteunende infrastructuur is bepaald dat er slechts één sectorinstituut per sector mag zijn, maar dat de sectoren daarbij niet zijn omschreven. Op deelterreinen van de erfgoedsector zijn dan ook nog steeds rijksgesubsidieerde instellingen actief, zoals het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Digitaal Erfgoed Nederland en het Centrum voor Internationale Erfgoedactiviteiten. Erfgoed Nederland profileert zich nadrukkelijk óók op deze terreinen en spreekt in zijn beleidsplan de ambitie uit structurele samenwerking of zelfs samengaan met de drie genoemde organisaties te willen onderzoeken. De Raad meent dat er goede inhoudelijke en procedurele redenen waren om deze organisaties in eerste instantie buiten het fusieproces te houden, maar ziet ook de logica van een samengaan van betreffende instellingen met Erfgoed Nederland op de langere termijn.
Minder duidelijk is hoe Erfgoed Nederland zich wenst te verhouden tot andere ondersteunende instellingen, zoals Instituut Collectie Nederland, Cultuurnetwerk Nederland, Stichting Internationale Culturele Activiteiten, Premsela Stichting, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, Stichting Open Monumentendag, Nationaal Archief, Nederlands Architectuurinstituut en Mondriaan Stichting. Het moet om te beginnen voor het veld helder zijn bij welke instantie men voor welke vorm van ondersteuning moet zijn.
De minister stelt in zijn adviesaanvraag over de fondsen en de sectorinstituten terecht vragen over de taakafbakening op het gebied van digitalisering en internationale activiteiten, maar dat zijn vragen die ook de Raad niet kan beantwoorden en bovendien speelt dit probleem niet alleen op de genoemde twee terreinen. De taakafbakening is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de betreffende instellingen zelf, en het is te vroeg om Erfgoed Nederland nu al af te rekenen op een gebrek aan afstemming. Het sectorinstituut is op de goede weg en heeft recent bijvoorbeeld samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de brancheverenigingen en de provinciale erfgoedhuizen. Ook met de Mondriaan Stichting lijken goede afspraken te zijn gemaakt, getuige bijvoorbeeld de gezamenlijk georganiseerde studiedag over culturele diversiteit en de voorbereiding van een gezamenlijke publicatie over collecties. De Raad hecht daarbij niet heel sterk aan het onderscheid tussen publieke taken zoals die bij een fonds zijn belegd en besteltaken die thuishoren bij een sectorinstituut. Uiteindelijk gaat het niet om de ideale situatie conform de blauwdruk maar om de optimale ondersteuning van de sector. Samenwerking van fondsen en sectorinstituten heeft gezien de verschillende manieren waarop de aanwezige kennis is gegenereerd juist meerwaarde.

Conclusie

Erfgoed Nederland is aangewezen als instelling met een blijvend uitzicht op subsidie. Het is een nieuw sectorinstituut dat zichzelf nog niet in voldoende mate heeft kunnen positioneren in het erfgoedveld en nog midden in het proces van taakafbakening met andere ondersteunende instellingen zit. Het beleidsplan en het activiteitenplan getuigen van ambitie, maar in de veelheid van voornemens zit nog te weinig richting. De meerwaarde van de erfgoedbrede benadering boven de traditionele benadering van deelsectoren heeft zich nog niet kunnen bewijzen. De programmalijnen bieden goede aanzetten tot een nieuwe manier van werken, maar de Raad is er niet van overtuigd dat de huidige organisatie deze over de volle breedte kan dragen. Erfgoed Nederland moet kortom zijn kwaliteit nog bewijzen en zijn gezag nog verdienen.
Omdat uitvoering van de aan Erfgoed Nederland toebedeelde besteltaken van groot belang is voor het functioneren van de basisinfrastructuur voor het cultureel erfgoed, adviseert de Raad een subsidie van € 2.000.000 toe te kennen. Dat is meer dan de constituerende instellingen gezamenlijk ontvingen, maar de Raad beschouwt het sectorinstituut als meer dan de noodzakelijke som der delen. Op basis van het geadviseerde subsidiebedrag moet Erfgoed Nederland in staat zijn zich eerst beter te positioneren in het veld. De Raad adviseert Erfgoed Nederland over twee jaar een nieuw beleidsplan te laten indienen en het dan mede op basis van een evaluatie- of visitatierapport opnieuw door hem te laten beoordelen. In het kader van een vergelijking van taken en subsidiebedragen van alle sectorinstituten kan de vraag naar een eventuele subsidieverhoging dan opnieuw aan de orde komen.

 


Verwante links
Downloads
Verwante Adviezen
Erfgoed Nederland
Erfgoed Nederland 08-07-2008
Aanvullend Advies Basisinfrastructuur 1.0