
Inleiding
Het sectorinstituut Erfgoed Nederland geeft aan dat het zich herkent in het raadsadvies, maar wenst tevens een aantal onjuistheden te benoemen. Ten eerste heeft het naar eigen zeggen noch de ambitie, noch de capaciteit om zich te ontwikkelen tot een zuiver kennisinstituut. De Raad schrijft dus ten onrechte dat Erfgoed Nederland zich (met name in relatie tot de programmalijn erfgoed en ruimte) als zodanig positioneert. Het sectorinstituut opereert juist in de driehoek beleid, kennis en uitvoeringspraktijk. Als netwerkorganisatie ziet Erfgoed Nederland het als zijn belangrijkste taak visie te vormen, vernieuwing te stimuleren en verbindingen te leggen om te komen tot duurzaam erfgoedbeleid. Het beseft dat het daartoe inhoudelijke expertise nodig heeft en wenst die de komende jaren dan ook uit te bouwen, maar ontkent dat het daarmee een kennisinstituut is of zal worden.
Verder heeft Erfgoed Nederland zich verbaasd over het oordeel van de Raad over de wijze waarop het sectorinstituut omgaat met het beleid van Bureau Belvedere (behoud door ontwikkeling). De wijze waarop dat gebeurt, draagt namelijk bij aan de verdere disseminatie van dat gedachtegoed en betekent niet dat Erfgoed Nederland zich de expertise en ervaring van tien jaar Bureau Belvedere toe-eigent. Die veronderstelling van de Raad is volgens Erfgoed Nederland nergens terug te vinden in het beleidsplan. Hetzelfde geldt voor de mening van de Raad dat Erfgoed Nederland de uitgangspunten van Belvedere exclusief zou verbinden aan landschappelijke ruimte. Hier is volgens het sectorinstituut sprake van een misverstand
Erfgoed Nederland reageert ook op de opmerking van de Raad inzake de gewenste heldere positionering van het sectorinstituut in relatie tot de uitvoering van bestel- en branchetaken. Omgekeerd geldt die volgens Erfgoed Nederland ook voor de bestaande brancheorganisaties. Het verwondert Erfgoed Nederland dat de Raad geen uitspraak doet over de wenselijkheid van het onderbrengen van alle rijksgesubsidieerde besteltaken bij het sectorinstituut.
Ten slotte spreekt Erfgoed Nederland zijn verwondering uit over het feit dat het raadsadvies in Basisinfrastructuur 1.0 is gepubliceerd in het hoofdstuk Musea, terwijl het gaat over een sectoroverstijgend instituut.
Beoordeling
De Raad heeft zijn oordeel dat Erfgoed Nederland zich wenst te positioneren als kennisinstituut gebaseerd op de voorgenomen activiteiten binnen de programmalijn erfgoed en ruimte. Deze zijn volgens het beleidsplan voor een belangrijk deel gericht op het doen van onderzoek, het entameren van onderzoek, het samenwerken met (wetenschappelijke) onderzoeksinstellingen, het monitoren, het entameren van debat en discussie en het anderszins vergaren en verspreiden van kennis. Daarmee leek het accent binnen de driehoek beleid, kennis en uitvoering, zoals Erfgoed Nederland die nu schetst, wel erg sterk te liggen op het aspect kennis. In zijn reactie maakt Erfgoed Nederland echter duidelijk dat dit geenszins de bedoeling was en op basis daarvan is de Raad voorlopig gerustgesteld.
De Raad is verheugd over de aandacht van Erfgoed Nederland voor het gedachtegoed van Belvedere. Het is goed dat meerdere organisaties bijdragen aan een duurzame verankering van dit beleid in de ontwerp- en ontwikkelpraktijk. Omdat de projectsubsidiëring voor Bureau Belvedere in 2009 echter ten einde loopt en Erfgoed Nederland in zijn beleidsplan aangeeft na 2009 aan Bureau Belvedere gerelateerde activiteiten te willen ontpooien, heeft de Raad de indruk gekregen dat het Belvedere-beleid onder meer onder de vleugels van Erfgoed Nederland zal worden gecontinueerd. Het sectorinstituut heeft in zijn reactie duidelijk gemaakt dat deze zienswijze op een misverstand berust.
Een ander misverstand heeft betrekking op de exclusieve relatie die Erfgoed Nederland volgens de Raad legt tussen Belvedere en de landschappelijke ruimte. De Raad is tot deze indruk gekomen door de inhoud van de eerste passage van de paragraaf ‘Programmalijn erfgoed en ruimte’. Hier stelt Erfgoed Nederland ruimtelijke transformaties gelijk aan de ontwikkeling van het cultuurlandschappelijke erfgoed. De Raad is echter van mening dat ruimtelijke transformaties zowel landschappelijke als stedelijke transformaties omvat, en kennelijk is Erfgoed Nederland dezelfde mening toegedaan.
Wat betreft de opmerking dat de gewenste heldere positionering van het sectorinstituut in relatie tot de uitvoering van bestel- en branchetaken omgekeerd ook zou moeten gelden voor de brancheorganisaties, merkt de Raad op dat dit advies nu eenmaal het sectorinstituut betrof en niet de brancheorganisaties. De door Erfgoed Nederland van de Raad gewenste uitspraak dat alle besteltaken zouden moeten worden ondergebracht bij het sectorinstituut, wenst hij evenwel in zijn algemeenheid niet te doen. Om te beginnen voeren instellingen als het Instituut Collectie Nederland en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie ook besteltaken uit voor de erfgoedsector. Maar ook daarnaast zijn uitzonderingen op de regel dat alle besteltaken binnen een sector thuishoren bij het sectorinstituut naar mening van de Raad niet bij voorbaat uitgesloten. Zeker nu het erfgoed door het Rijk als één sector wordt beschouwd, mag niet bij voorbaat worden uitgesloten dat op het terrein van een van de deelsectoren een rijksverantwoordelijkheid ontstaat die zo sectorspecifiek is dat het beleggen daarvan bij Erfgoed Nederland het gewenste overkoepelende karakter van de programmalijnen van het sectorinstituut geweld aan zou doen en dus niet zou passen bij het profiel van deze organisatie. Bovendien is de Raad van mening dat Erfgoed Nederland zich nu eerst moet bewijzen in de sector alvorens sprake kan zijn van toedeling van meer besteltaken aan het sectorinstituut. Het moet draagvlak creëren en vertrouwen winnen. Vervolgens is een groeiscenario voor Erfgoed Nederland niet uitgesloten, zoals de Raad reeds in zijn eerdere advies betoogde.
Het feit dat Erfgoed Nederland in het advies over de basisinfrastructuur is ondergebracht in het hoofdstuk Musea is, zoals in de betreffende inleiding staat aangegeven, arbitrair. De Raad benadrukt dat het advies in volstrekte gelijkwaardigheid is voorbereid door de commissies Musea, Archieven, Amateurkunst en cultuureducatie, en Architectuur, stedenbouw, monumenten, archeologie en landschap.
Conclusie
De opmerkingen van de Raad over de ambitie van Erfgoed Nederland om zich te ontwikkelen tot kennisinstituut en over de wijze waarop het zich het Belvedere-gedachtegoed toe-eigent berusten op een andere lezing van het beleidsplan dan Erfgoed Nederland kennelijk bedoelde. Op basis van de reactie op het advies concludeert de Raad dat er op deze punten nu overeenstemming bestaat tussen Raad en sectorinstituut. De betreffende opmerkingen uit het advies neemt de Raad dan ook terug. Dit heeft echter geen consequenties voor de strekking en de conclusie van het advies als geheel. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om, zoals Erfgoed Nederland in zijn reactie vraagt, de uitspraak te doen dat alle besteltaken binnen de erfgoedsector zouden moeten worden ondergebracht bij het sectorinstituut.