13 december 2005
In de reacties op de museumnota
Bewaren om teweeg te brengen van Medy van der Laan gaat de meeste aandacht uit naar de wijze van bekostiging - concurrentie om een sigaar uit eigen doos - en wordt de inhoud versimpeld tot 'hoe meer publiek, hoe beter'. Dat zal dus wel leiden tot inhoudelijke verschraling en zelfs 'verpretparking'...
Dat musea elkaar moeten beconcurreren om subsidies is niets nieuws. Het nieuws is juist dat musea elkaar na 2008 voor het overgrote deel van hun budget niet meer beconcurreren.
Ten eerste omdat musea met een rijkscollectie een langjarig subsidieperspectief krijgen.
Ten tweede omdat het aloude streven naar 'doorstroming' binnen de Cultuurnota wat betreft de museumsector feitelijk wordt opgegeven, inclusief het streven naar geografische spreiding van rijksgesubsidieerde musea.
Van der Laan vraagt musea wel om in te spelen op maatschappelijke veranderingen. Met het resterende vierjaarlijks en incidenteel te verdelen flexibele budget wil zij vernieuwing en experiment op het gebied van cultuur- en kennisoverdracht stimuleren.
Het is echter geenszins haar bedoeling om alle musea de wet voor te schrijven of dezelfde kant op te sturen. De kern is dat zij musea vraagt om na te denken over de wijze waarop zij hun banden met de samenleving kunnen bestendigen en vernieuwen. Die vraag moeten alle musea op hun eigen wijze beantwoorden, uitgaande van hun eigen collectie en hun eigen profiel.
De veelgehoorde angst voor overvolle museumzalen - die vooral betrekking heeft op negatieve ervaringen met blockbuster-tentoonstellingen in kunstmusea - is dus prematuur, en het gelijkstellen van doelgroepenbeleid aan inhoudelijke verschraling getuigt van gebrekkige kennis van alle overdrachtsmiddelen die musea ter beschikking staan.
Politici worden in hun eerste reacties op de museumnota geleid door angst voor meer bureaucratie en 'subsidiegedoe'. De musea zijn immers niet voor niets verzelfstandigd en moeten niet elke vier jaar worden lastig gevallen met nieuwe beleidsprioriteiten. "Laat de musea met rust, ze weten zelf wel wat goed voor ze is", dat is de gedachte. Maar er is een keerzijde.
Als er in de ogen van de politiek wel wat moet gebeuren, dan wordt de oplossing al snel gezocht in de subsidiering van een nieuw instituut. Moet het historisch besef worden gestimuleerd? Dan is de oprichting van een Nationaal Historisch Museum of een Centrum voor Geschiedenis en Democratie een serieuze optie. Meer aandacht voor oorspronkelijke culturen van nieuwe Nederlanders? Een Mediterraan huis!
Als musea slechts een beperkt deel van de bevolking bereiken omdat velen het verhaal achter museumobjecten niet meer kennen - zoals Chris Groeneveld en Nel van Dijk constateren in de NRC van 28 november - en de overheid zoekt de oplossing in de oprichting van een nieuw, laagdrempelig instituut, hoe blij moet de museumsector dan zijn met het feit dat zij met rust wordt gelaten? Zoals Jan Vaessen betoogde in de NRC van 21 november: "Waarom opnieuw zo'n heilloze vlucht naar voren, terwijl er gewoon werk aan de winkel is?"
In haar nota constateert Van der Laan dat de financiele ruimte om nieuwe impulsen te geven momenteel beperkt is en denkt ze daarom aan 'herprioritering' binnen bestaande budgetten. De financiele uitwerking van de nota zal ze in 2006 voorleggen aan de Tweede Kamer.
Als de politiek overtuigd raakt van de noodzaak het historisch besef te vergroten en de interculturele dialoog te stimuleren, en musea daartoe als een geschikt middel ziet, dan zou zij - voor een sector die toch al wordt geplaagd door sterk stijgende vaste lasten en teruglopende inkomsten - ook extra geld kunnen vrijmaken voor bestaande instellingen.
De Raad voor Cultuur heeft september jongstleden advies uitgebracht over de museale strategie:
Een vitaal museumbestel. De visie van de staatssecretaris sluit daar goed op aan. Zij legt eigen accenten op het gebied van culturele diversiteit, jongereneducatie en de presentatie van de Nederlandse canon.