De Raad voor Cultuur is het wettelijke adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media. De raad is onafhankelijk en adviseert, gevraagd en ongevraagd, over actuele beleidskwesties en subsidieaanvragen.

Raad voor Cultuur pleit voor regionale culturele infrastructuur

Zet stedelijke regio’s centraler in het cultuurbeleid. Zij zijn goed in staat om hun culturele voorzieningen af te stemmen op de samenstelling en behoeften van de bevolking, en op de aanwezige maatschappelijke en economische infrastructuur. Met de opname van een regionale culturele infrastructuur in het landelijke cultuurbestel wil de Raad voor Cultuur dat er meer erkenning en financiering komt voor het culturele aanbod in de regio. Dat schrijft de raad in zijn verkenning ‘Cultuur voor stad, land en regio’.

Het Rijkscultuurbestel bestaat in zijn huidige vorm bijna 25 jaar en heeft er in veel opzichten voor gezorgd dat Nederland een land is met een levendige kunstpraktijk. Maar nu het stof is neergedaald van weer een volgende beoordelingsronde voor de landelijke culturele basisinfrastructuur (BIS) en de meerjarige subsidies bij de cultuurfondsen, constateert de raad dat het bestel steeds minder doet waarvoor het is bedoeld: randvoorwaarden creëren voor een bloeiend cultureel leven. De BIS en de fondsen zijn door opeenvolgende ingrepen uitgekleed, gejuridiseerd en geamendeerd. Maar belangrijker nog, trends en ontwikkelingen in het culturele leven stellen nieuwe eisen aan het bestel. Dat is in meerdere opzichten niet meer bij de tijd.

Stedelijke regio’s spelen een sleutelrol bij het inspelen op deze trends en ontwikkelingen. Zo’n regio vormt een cultureel ecosysteem waarin makers, culturele instellingen en overheden - in nauwe samenwerking met elkaar - rekening kunnen houden met de samenstelling en behoeften van de bevolking, met de identiteit en verhalen uit de regio, en met het lokale klimaat voor de makers en kunstenaars. Het cultuurbeleid is echter sterk nationaal georiënteerd en vooral gericht op individuele instellingen, niet op de samenhang van culturele voorzieningen. Beleid en geldstromen versterken elkaar in de praktijk nog onvoldoende. De raad pleit voor een cultuurbeleid waarin meer rekening wordt gehouden met regionale keuzes, zodat er lokaal een zinvolle discussie op gang kan komen over de betekenis en invulling van het culturele aanbod.

Beleidsdoelen

Het vraagstuk rond de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheden begint met heldere beleidsdoelen. Die geven houvast als het gaat om de vraag waarop cultuurbeleid zich moet richten en wie waarvoor verantwoordelijk is. De raad adviseert minister Van Engelshoven (OCW) dan ook om doelstellingen voor cultuurbeleid te formuleren en in de wet vast te leggen. In zijn verkenning doet de raad alvast een voorstel daarvoor.

Om regionale en lokale overwegingen mee te laten spelen in het nationale beleid adviseert de raad om, naast de BIS en de fondsen, een derde component te onderscheiden in het cultuurbeleid: de regionale culturele infrastructuur (RIS). Deze bestaat uit het geheel aan voorzieningen dat nodig is voor een bloeiend cultureel ecosysteem in een stedelijke regio. De raad adviseert de minister om de regio’s uit te nodigen met een overtuigend en inspirerend plan hiervoor te komen. Daarmee kan een regio op zijn eigen manier invulling geven aan de doelstellingen van het cultuurbeleid. Decentrale overheden, maatschappelijke, culturele en private partners zijn samen verantwoordelijk voor het samenstellen en financieren van deze voorzieningen. De raad stelt voor dat het Rijk stimuleringsgelden (of ‘matching’) verleent aan stedelijke regio’s, als zij bijdragen aan de landelijk overeengekomen doelstellingen van cultuurbeleid.

Om de RIS een plek te geven in het bestel zijn er veranderingen nodig in de architectuur en systematiek van het cultuurbeleid. De raad ziet graag dat er tussen het Rijk en stedelijke regio’s een inhoudelijke, beleidsrijke dialoog op gang komt over het cultuurbeleid, waarin zij nagaan hoe zij gedeelde verantwoordelijkheden kunnen waarmaken en daarover bindende afspraken maken. Ook stelt de raad voor om de beleidscyclus te verlengen van vier naar zes jaar. Dat brengt meer rust en verlaagt de plan- en verantwoordingslasten voor de culturele instellingen.

De komende maanden komt de raad met meer bouwstenen voor aanpassingen van het cultuurbestel. In een reeks adviezen zal hij de stand van zaken in verschillende disciplines analyseren en aanbevelingen doen voor beleid en financiering.